Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn in een zomeravond zoo ongedwongen in ondergoed rond te loopen, of een warmen arm tegen het ijzer raamrichel te leggen. Mogehjk vertellen zij nu elkander haar oordeel over de jonge gasten van dit stadje, dat morgen weer verlaten wordt om voort te glijden naar nieuwe emotie. Wat heeft, bedenkt Hubert Montijn, een meisje dat slapen gaat aan vele kleine dingen te denken. — Hij ziet één gaan naar een muurkastje; een naaidoos met beschelpt deksel wordt geopend; weer een ander die het volle haar in een dikke wrong in haar hals opgerold heeft, ruimt in de haast in het dagvertrek het een en ander op. Hubert ziet, dat er ook boeken zijn in de kajuit, zeker gebonden illustraties, dat leidt hij af van het formaat. Het meisje dat daar nu alleen is in het woonvertrek, het lijkt hem de jongste der zusters. Ze is thans toch klaar met ruimen en bergen? Wat talmt ze? Zie, ze rekt heur armen boven het hoofd en werpt haar lichaam naar voor; zoo leunt ze tegen het muurkastje aan. Hubert is gevangen aan het beeld van dat rekkend meisje. Haar zoo te bespieden, half ontkleed en in vollen levensluister, haar krachtig gebaar te zien en de welige sloomheid van een lichaam dat onbestemd naar vreugden vraagt, het woelt den effen notariszoon om. Hij heeft de gedachte, dat het eigenlijk niet fair is deze meisjes van uit een donker vertrek te beloeren, al overwonnen. Hij strekt zijn armen uit en klemt zich aan de vensterbank. De twee andere zusters ontkleeden zich verder en hij moét dat wel zien. In het woonvertrek is het meisje neergegleden op een stoel

137

137

Sluiten