Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van der Swaay Vóórdat zelfbeklag zich van hem

meester kan maken, legt hij weer weg dat portret. Als naar gewoonte wanneer hij de slapeloosheid vreest, zoekt hij de verlaten straten van het stadje. De hoofdagent kent deze gewoonte en zegt hem goedennacht op vertrouwelijke wijze. Want zij getweeën zijn de eenige wakers op de straat nu. De doffe stommelstooten van de koekenfabriek, waar hier en daar de ruiten van rammelen, veroorzaken door hun eendere klanklooze dreuning geen stiltestoornis. Het IJsselwater is groen tot zwart en rimpelloos. De booten liggen er op als donkere vlakken, waarin men ternauwernood leven kan vermoeden.

Hubert loopt naar de roode oogen van de ophaalbrug en volgt nu den IJssel langs den anderen oever, die naar buiten voert op Montfoort aan. Hij moet door een nauwe poort, wil hij den molenterp mijden, waar overheen wèl het jaagpad voert. Voor hem ligt de stormkaai, de rechte verbinding naar Willeskop. Het pad loopt pal langs den IJssel. Halverwege die kaai keert hij. Het silhouet van 't pasverlaten stadje is als een brok verweerde kant aan den hemel. Hier is het Hubert goed en plechtig. Hij ziet over het water geen overbodig leven; aan den hemel is ook ieder bewegen verstard, en het stadje zoo stil zoo stil. De woeling in zijn borst zinkt weg; maar zulke emoties verdwijnen niet, ze bezinken en vormen een onbestemde knaging, een nieuwe leegte bij het al bestaande gemis. Hubert wil hunkeren gehjk een wijze hunkert, overwinnend door de macht der gedachte het verlangen. Hij wil, naar

139

Sluiten