Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water, naar Elie, hij kan dus meerijden. De oude bedenkt zich, wat hij nu weer eens aan zijn ziek dochtertje geven kan. Ze heeft al zooveel, en in weinig dingen stelt ze belang. Hij vraagt het aan Hubert; hij, een geleerd man, moet dat weten.

„Geef haar een herbarium," raadt hij aan. „Dat is?"

„Een cartonnen map met blanco bladen om bloemen op te drogen." „Ja kind, wil je dat?"

„Hè ja vader, graag. Duurt het lang voordat zooiets vol is? Ik bedoel, dat er niets meer in kan mijnheer?" „O ja, wel jaren."

Smartelijk kijkt de oude Philip den leeraar aan. Hij grijpt diens hand. Dat heeft het meisje al gezien. „Wat doet U gek, vader...."

„Och, och, mag je dat zeggen? Is dat eerbied voor je vader? Ben ik gek? Pas op, of ik zal je eens leeren. Jij wordt verwend. Nu weer zoo'n planten-droogboek, kom hoe heet het.. . ."

„Herbarium."

„Juist, zoo'n herbarium, mooi gek is dat van vader hè?"

Op den thuisrit zit Hubert naast Philip op den bok. Na lang gezwegen te hebben, vraagt de oude: „Wat denkt TJ ervan . . . .?"

„Ja, wat zegt de dokter?"

„Dokters zeggen nooit veel. Hoor eens wat ik zeg, 't loopt af met het kind."

151

:5i

Sluiten