Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„U moet dat niet zeggen."

„Ik moet dat wel zeggen 't is de waarheid, ik zie hetvoor oogen."

„Ach neen, 't kan niet waar zijn."

„Werkelijkheid, beste mijnheer. Er wordt niet gevraagd of het kan. Kan ik mijn meisje missen? Voor U is 't weer iets anders."

„Ja, voor mij, voor mij is 't iets anders."

Na een weinig rijdens zegt Hubert voorzichtig: „Waarom zou ik nog langer komen? U zegt zelf

„Neen jongen, dat niet. Ze moet het niet merken. Dan begrijpt ze, dat het einde er is. We moeten haar helpen gelooven, dat ze weer geneest. Overdag gelooft ze, 's nachtsligt ze vaak te snikken. Weet U wie goed voor haar is? Dat kind van mijnheer Ellink Reeser van den steenoven. Ze is wat wild, maar U moet haar zien als ze bij Vrouke is, een lust. Nèt een moedertje. Waarachtig dat kind is goed voor haar."

„Toch," zegt Hubert weerom, en hij houdt voet bij stuk omdat hij zich de drager van het verraad voelt: „toch mijnheer de Lieme wilde ik liever dat het nu uit was, werkelijk. Ik voel me er niet prettig onder, zoo'n soort klaplooper. 't Gaat me niet goed af."

„Maar jongen, hoor dan toch goed. U komt toch om les te geven? Dat het kind nog altijd niet kan, ja dat is Uw schuld niet. Zoo moet U 't opvatten, vooruit!"

„Dat zijn wiegedeuntjes. Ik voel het werkehjk als een fooi, gerust, ik meen het."

152

152

Sluiten