Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat weet ik niet. 't Was donker toen ik wegging. Mijnheer .... vraag nu niet meer, toe ... ."

„Wat?! Ik zal je alles vragen, alles! Die smeerlap! Zoo'n smeerpijper! Waar was 't? Ga mee, ga mee, ik zal hem leeren! Buurtje kind, breng je fiets thuis en rij mee. Ik zal je naar Vrouke brengen, 'k ga dan maar niet naar Eiteren voor vanavond, stap op!"

En zoo goed was Buurtje niet, of ze moest mee. Haar moeder kwam eraan te pas; de oude Philip mompelde iets, dat het hem speet en dat hij zorgen zou, dat het niet meer voorviel en Mevrouw gaf hem haar dochtertje mee — 't was maar het beste voor dat zieke buurmeisje, dat Vera nog eens zien kwam — meende ze.

Onderweg moest ze alles aan den oude vertellen, hoewel ze weer ervan moest kleuren. Philip de Lieme had gezegd: „Buurtje ik zou je vader kunnen zijn, spreek maar gerust op." En hij kwam aarzelend te weten, dat iemand haar op de sticht gevolgd was en haar had gegrepen. Ze kon toch heusch niet zeggen wie 't geweest was, van de twee broers die nog thuis waren. „Kunt U het zelf niet denken?" vroeg ze.

„Och, ja en neen." De oude dacht even: ze zijn jong, 't zijn felle jongens en Vera een sjikse*) dat trekt. — Maar toch, 't was grof, 't was laag. Ze wisten toch de klungels, dat dit Buurtje zoo goed was voor hun ziek zustertje. Ah.... hij nam zich voor, hoe hij ze dat betaald zou zetten. Onderwijl hij verder reed nam het wraakplan zoo

*) Christenmeisje.

157

157

Sluiten