Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de ijle ranke omtreklijn tegen het etgrasgroen dat donker is en zwaar van 't jaar; het bloed en de kracht van het land. Ze roept wat in geitentaai en golvend op de lucht dringt die klacht de stilte in en zal hoorbaar zijn tot wijd voorbij den Tiendeweg.

Hij herinnert zich vele verhalen van den dood. Als de dood komt ergens in een huis, zou dat te zien zijn en te merken aan de gestalte van het land? Moeten de wolken samenpakken als de dood dreigt? En is de verschrikking van het einde gesymboliseerd in een hevig onweer? Hoe menigmaal las hij stervensverhalen, waarbij de sombere natuur moest dienen als decorum van het droef gebeuren. Hij las ze, eigenlijk zonder goed te bedenken, dat ook op klare Septemberochtenden de dood kan komen onder een dak. Nu hier; is deze gewijde feestdag der natuur nu wel een dag tot droefenis bereid? Hubert zoekt naar beelden, teekens en symbolen in de dingen die hij passeert, die hem de droefenis, die nu tot climax zal komen heden, zullen doen begrijpen in haar diepste echtheid. Hij ziet de pralende helianthen wel staan in de poovere tuintjes der boeren; hij vindt langs de slootkanten het sober wilgenroosje wel en zaad van het lisch; maar nergens ziet hij een symbool van leed om het gestorven bloemenbruidje langs de weiden. Ze zal al deze bloemen nu niet meer bloeien zien en haar fragiel bestaan er niet meer aan afmeten. Staan deze bloemen daar zoo roerloos aan het water, om hem van deze onherroepelijkheid van den dood te getuigen? Malligheid. Zoo men wil, peinst hij nuchter, 168

168

Sluiten