Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gemakkelijk is den staat van de ziel af te leiden van gelaat en gestalte, wanneer men vooraf maar kent de leeden vreugdegeschiedenis van dien mensch. De Joodsche jongetjes uit Montfoort loopen achteraan, om Huberts voeten. Daar is ook Sallie Blok bij, die zich dicht bij zijn leeraar gedrongen heeft. Dat acht hij zoo zijn goed recht. Deze kinderen zijn de bijzonderen, gelijk alle Joodsche kinderen van kleine steden en dorpen. Zij bhjven tusschen de anderen immer enkelingen en ontwikkelen zich meestentijds als zoodanig, of ze nu later stompzinnig worden, piender of geleerd. Hun kinderweten heeft nu wellicht voor het eerst den dood moeten peilen en wie weet welke stormen hebben getempeesd in de zieltjes dezer felle kereltjes. Ze praten ditmaal weinig. Het voorbeeld van den zwijgenden leeraar in hun midden wekt ontzag. Sallie ziét naar Hubert op als naar een kolos van geleerdheid. Nochtans wordt door geen dier kinderen vergeten, dat die man in zijn zwarte jas hier eigenlijk een vreemde is, en hoe geleerd hij ook zij, hij is nog geen jood en buiten de groote familieomheining dient hij te bhjven. Hubert Montijn neerziend op de jodenjongetjes, begrijpt dat een dergelijke gedachte door die wezentjes moet roeren. Hij wil nog meer begrijpen; hij is heden als een analist, die niet rusten kan zoolang hij twee of meer verbonden elementen niet gescheiden en herkend heeft. Hubert schouwt dan ook systematisch in allen die de baar volgen, ook in zichzelvenweer. Hij ziet dan ook het einde van 't Plankenland en betreedt met de anderen het erf van 't Blauwe Huis, zonder gemerkt te hebben dat

184

184

Sluiten