Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mag in zijn heiligen toorn tegen onbedwingbare machten. Ver weg wel, maar toch waarneembaar, dringen zalvende woorden tot hem door, troostwoorden die hij zelve zegt

en die nauw hoorbaar over zijn lippen komen zonder

groote overtuiging als stuwkracht, overtuiging, die woorden tot wapens kan maken. Hubert, in deze stonde zichzelf beschouwend, moet flitsend-vlug denken aan het oude vrouwtje uit Zaandam, dat bij den grooten brand van half het dorp, te blusschen stond, zij en haar van ouderdom gedorde man, met één emmer water en een schoteltje. Het geluid van dat peuterig geplas met het schoteltje, het ging verloren in de hooge gierende laaiing van den vlammendood boven de huizen uit.

Zijn troost ja wat is nu zijn troost. Hoe zou hij troosten wijl hij zelve troost behoeft.

Een bewogen vrouwenborst om aan te weenen, of een sterke mannenhand die iemand óp kan doen Veeren, Hubert, zoo goed als de vader, zij zoeken zulke sterkende troost. Maar zij vinden niet in de wijdte van 't grasland, de wijdte die als de oneindigheid is, deze milde troost.

Dan nemen zij elkander bij de hand als weezen en loopen achter den stoet aan. Maar zij vergeten te gaan in begrafenispas. Zij vergeten de wereld, en van conventie het doel. Ze gaan hand aan hand met dichtgenepen kelen door het land op het einde aan, om weer te geraken bij de anderen, die opnieuw over een vondel trekken, mannetje na mannetje. Zij overwegen niet, dat het vreemd moet zijn voor wie omkijken naar deze twee groote menschen, 190

190

Sluiten