Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hcid dóór van kleine stations, — de veel te groote trein onder de glazen kap — alsof hij alles zal breken. — In het matglas-grijs de banen der perrons, met rechte banken, stoeten van in de leegte eindeloos wachtende menschen, de ruggen bepakt als lastdieren, oude vrouwen met veel rokken, magere jongetjes, knokig-militair, en met petten op, zooals de straat-muzikanten.

Dan weer de wijdte. Glooiende, blauwende bergen, kleine omrankte huizen; de lichten pinken overal aan, verspreide glimwormen in den parelblauwen avond. In den violetten hemel óók een enkele ster, nerveus en fel schitterend als een vrouweoog, waarin het schreien bedwongen wordt. In de verte doemt het oude Keulen. De grijze Kathedraal met haar twee moederlijke torens, verloren in de purperen plooien van den horizont. Onze vaart verglijdt even tot stilstand. De trein stopt aan het kleine station van Deutz. Het is hier ontstellend stil en wit. De stemmen der stationsbëambten klinken als in een kamer. Eén zwaait er met een stralende lamp heen en weer, zooals

2

9

Sluiten