Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dasz ich so traurig bin." De Rhijn en de maan en de liefde. Door het half-opencoupé-venster dringt de geur van het land. Fijn windgesuis. Huwlijksreizen. Gefluister. O, teerheid — o jongensdroom!....

Ik ruk het raam toe aan zijn harde leeren lus. De zachte kussens veer en, als ik mij neerwerp in mijn hoek. Ik ben een me-' neer, met souspieds aan, uiterst verzorgd in mijn reiscolbert en wollige overjas. Zoo een als ik altijd heb gehaat, toen ik een jongen was. Ik ben keurig en vertogen. Ik ben permanent hoffelijk en in de plooi. Onze soliede roodleeren koffers, die zachtjes kreunen boven onze hoofden als de trein wat vaart neemt, dwingen respect af van kellners en conducteurs. Het is alles ergerlijk „in den haak". God, God, wat zal die reis vervelend zijn! — Buiten is het landschap nu door een stikzwarte duisternis gesloten. — Wat glanst het licht mat. Het is een benauwenis, dat voortijlen in de grenzenlooze donkere diepte der wereld. Over mij zit Jenny, — ze is in slaap ge-

12

Sluiten