Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn. Laten we nu genieten van alles wat we zien.

J e n n y: (als Karei even weg loopt) Wat is 'r toch Karei, — wat doe je nu onrustig 1 Karei: (afgewend, en voor zichzelf alleen) God, God, God, dat kan zoo niet, ik dacht, <— de vrouwen. — Ik lijk stapel 1 Jenny: (troont hem mee terug) Waarom doe je nou zoo raar? Och ja, ik ben een dwaas kind. Ik zal niet zoo flauw meer zijn. (Tunnel, — neemt onwillekeu" rig — angstbeweging — zijn hand, knijpt zijn hand, groote bitterheid.) Jenny en Karei: (Uitroep.) Gód, wat mooi, wat ontzaggelijk, 't Lijkt wel of de bergen tegen den hemel opklimmen. Karei: (maakt een beweging als wil hij haar schoudert jesomvatten, deinst terug) Laten we in de coupé gaan, 't maakt moe, dat staan.

Karei en Jenny: (gaan in de coupé, zwijgend tegenover elkaar op de zachte kussens. Samen alleen. De trein jaagt.) Karei: (komt onwillekeurig naast haar — verbeten) Jenny.

Jenny: (haalt koffer) Kom, ik heb zin in wat lekkers.

40

Sluiten