Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij hebben afgehuurd, — hij draagt onze bruin-roode koffers door het middagblauw en langs de palmen, gevlochten boomen die lichtspleten laten schijnen door hun fijne vingeren, — hij draagt ze zoo handig dat ze wel licht lijken als veertjes.

Daar gaan wij als vreemden, een ruimte, stralend van blauwheid en zonneglans is tusschen ons. — Wij spreken niet en wij zijn moe. Ik weetniet, hoe dat alles moet gaan, er is allerlei onaangenaams te doen en te handelen, — wij lijken twee eenzaamheden, dooreen beklemmend noodlot samengevoegd. Hoe lichter en van Zilveren zon vervulder de wereld is, des te moeizamer en eindeloozer lijkt deze lange tocht. Het is als een doelloos voortgaan, een aldoor verder langs het handeklapklotsende meer met zijn nooit wijzigend vergezicht zich voortrekkende globetrotterij, achter een man met een koffer, dien onze schaaamte op zijpaden voert. Ik lijk een misdadiger, die vlucht voor zijn geweten, en dan weer een wanhopige vrijer, die avonturen wil zonder dat hij het moment der min aandurft, en

51

Sluiten