Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jenny: Neen. 't Licht is te luid. Karei: (hand boven de oogen) Parelgrijs, en goud, — en tóch ook wel blauw. Jenny: Kijk, één palm zie ik maar. Z'n fijne vingers uitgespreid. Hij baadt zich in het oneindige.

Karei: Wat is het alles eigenaardig hier. Het is onmetelijk- en toch klein. Het lijkt wel een immenze blauwe coulieze achter een miniatuur-tooneel. Wat een gek klein pleintje. Alle requisieten zfln er. Kijk is, d'r staat ook al 'n fontein/n kleine, droge fontein. En in 't rond al die toegesloten huizen met 'r witte loggia's. J e n n y: Ta en daarginds, wat 'n malle comedie, daar voor die ballustrade, waar je de zee door ziet,'n heele optocht van magere Rossinanten, en de rijtuigen waar ze vóór staan, wat gek, 't zijn net reusachtige parasols op wielen! Wat 'n arme, geknakte stumperds zijn die paarden toch.

Karei: Pas maar op, zoo met een komt 'r nog 'n koetsier, of 'n luierende bandiet, om z'n aria te zingen. — Jenny: Nu zijn we in Italië. Karei: Italië.

71

Sluiten