Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Karei: (norsch) Jenny.het zou een ploertenstreek zijn. Je ként me niet, je weet niet hoe en wie en wat ik ben, een ellendeling. — (zich opwindend) die arme, trouwe kerel, o en dat verlangen, dat bijtende, knagende, martelende verlangen, (vat haar ruw bij de polsen) Verlangen (doordringend) zou ik het niet weten, zou ik het niet weten nu, wat in hem brandt? Jenny: (snikt heftig.) Karei: (opeens beseft bij zijn misdaden; teeder:) Jenny, mijn arme lieve Jenny (zij wendt zich af, gekrenkt.) (Langzaam, voetje voor voetje, klimt een man den bergweg op. Karei, opeens tegenwoordigheid van geest, vraagt hem den weg en zij beiden volgen den man naar omhoog, waar machtiger nog het landschap opengaat, ontzaglijke, paerse bergen met aan hun voet de inktblauwe zeeën en boven hun zilver glinsterende sneeuwtoppen de transparante avondhemel, licht als een amethist.)

91

Sluiten