Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wie schuf doch Gott

Die Welt so schön

Drum Wandrer bet' Ihn an."1)

Jenny: (ziet hem triomphantelijk aan) Wat ben jij vroolijk (naïef) vogeltjes, die 's ochtends zoo vroeg zingen.... (zij voltooit den volzin niet«— beiden probeeren strak dezelfde gedachte af te wenden.) Karei: Wat een vergezicht! (De weg is heel breed, de bergen glooien al wijder langs de door wind bewogen zee. Al meer en meer komen er witte villa's langs hen vlekken, tuinen vol palmen, cypressen, bloemen en overdaad van citroenen en als kleine oranje zonnen aan hun boomen bengelende sinaasappelen.) Jenny: (kijkt hem warm in de oogen) Er is zoo'n diep, zoo'n stil geluk, dat het is of er nooit verdriet is geweest (uitroep) Karei. Karei: (ziet haar aan, haar oogen zijn recht in de zijne, haar roode lippen zwellen).

Jenny: Karei (komt vlak bij hem) Karei kus me, küs me, (geeft haar mond). (De auto zwenkt plotseling in razende

') Luther.

108

Sluiten