Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lonneerde hotelportiers, vrouwen met kinderen in kleurige doeken op de ruggen gebonden, Amerikanen met ontzaglijke uilebrillen op, — een voortdurende oploop van menigten, waarin, ondanks de schijnbare wanorde, een vreemde, ontstellende regelmaat heerscht. — De groote stoomer ligt zachtjes te suizen. — Als Karei en Jenny het dek hebben betreden, omgeeft hen opeens een plechtige suizelende rustigheid. Over de als blanke zeeën glimmende witte dekken beweegt alles, op zachte schoenen, sandalen en bloote voeten al in de voorbereiding van de eindelooze reizekalmte. Karei zoekt Jennies besproken hut, — zij wandelen door de zacht-belooperde benedengangen, langs de mahoniehouten, boenwasriekende kajuiten.) Karei: Hier is het (kijkt op een kaart) no. 17.

(zij treden in de witte kajuit, waar als een hagelblank bruidsbed, de zorgvuldig bespreide slaapstede. Een tuil met bloemen staat op de tafel. Onrustig wentelt het blauwe water langs de vensterboog).

111

Sluiten