Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

onrechtzinnigheid" te Groningen afgezette, toenmaals te Lingen docerende professor Van der Marck hebben aan vermoedens blootgestaan. Vermoedens vervlogen. De schrijver nam zijn geheim mee in het graf.

In 1886 verscheen van de hand van Ds. A. Loosjes een boekje, onder de naam: „Een krachtig libel", met als ondertitel: Studie over het pamflet „Aan het volk van Nederland." Daarin werd beweerd, en naar Loosjes geloofde, op wetenschappelijke gronden betoogd, dat de schrijver van het pamflet niemand anders kon geweest zijn dan de hierboven genoemde Van der Capellen tot den Pol, echter met niet onbelangrijke medewerking van Van der Kemp1).

Loosjes vond aanvankelijk weinig instemming en de Rotterdams^ bibliothecaris Van Rijn verklaarde zich in een opstel over de z. g. Rotterdamse nadruk van het pamflet (gepubliceerd in het „Rotterdamsche Jaarboekje" van 1888 en naderhand in een bibliografise behandeling der verschillende drukken in een bijlage tot „De Rotterdamsche Librije" zeer beslist tegen Van der Capellen's auteurschap. Niettemin was de aangevallene reeds in 1891 za gelukkig in een twede publicatie: „Nog een en ander over het pamflet „Aan het Volk van Nederland" een getuigenis te kunnen afdrukken, dat men hem uit Amerika toegezonden had: een uittreksel uit een autobiographie van Francois Adriaan van der Kemp, die in 1787, na de roemloze overgave van Wijk bij Duurstede, waar hij een tijdlang de lakens uitdeelde, naar de Nieuwe Wereld uitgeweken was, en waarin deze verklaarde, dat de schrijver van het beroemde pamflet was: zijn edele vriend Joan Derk van der Capellen, en dat hij. Van der Kemp, met de verzorging van de druk en de distributie der exemplaren was belast geweest.

Loosjes was dus gedeeltelijk in het gelijk gesteld.

Over het pamflet en zijn betekenis heb ik uitvoerig gehandeld in mijn proefschrift over Joan Derk van der Capellen2). Hier zij het vergund een bijdrage te geven tot de bibliografie van het pamflet. Loosjes en Van Rijn hebben heel wat materiaal bijeengebracht, zowel wat betreft de latere uitgaven en de vertalingen, als over de eerste drukken3). • Alleen met deze groep, de uitgaven van 1781, zullen we ons hier bezig houden. Zij waren het, die „de plectricqije schok" teweeg brachten, in 't bizonder natuurüjk de oorspronkelijke druk, die zich daaronder bevindt. Ook behoort daartoe de z.g. Rotterdamse nadruk, waarom zoveel te doen geweest is.

Tegenover de latere uitgaven vertonen de uitgaven van deze groep een vormgehjkheid, die er op wijst dat de nadrukkers, uit winstbejag, en wegens de haast ook gemakshalve, er naar gestreefd hebben, hun product ook naar het uiterlijk gelijk te maken aan het origineel.

Voor bespreken en citéren leverde deze vormgehjkheid natuurlijk een groot voordeel op. De uitgaven van 1781 zijn alle in octavo, tellen 76 bladzijden, met op elke bladzijde een zelfde aantal regels (42).

Loosjes kende in deze groep drie uitgaven, die hij noemde A, B en C. De verschillen tussen deze drie zijn legio. A is onmiddellijk op het oog

1) Volgens opgave van Loosjes zou deze ± een derde deel van de tekst geleverd hebben.

2) Verschenen te Groningen bij J. B. Wolters, 1922.

3) Ik meen in dit geval geen onnauwkeurigheid te begaan, als ik „uitgave" en „druk" door elkaar gebruik.

Sluiten