Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5

te herkennen: 1°. het papier is veel beter, dan dat der andere twee, 2°. de pagineringscijfers staan niet (als bij B en C) tussen gewone ronde, maar tussen „gefigureerde" haakjes: twee open sikkeltjes met tegen de bolle buitenkant elk een driedelig palmet je, 3°. In de bovenmarge treft men een watermerk aan: een druiventros (fabrieksmerk) en de woorden: B. BRUN. MOYEN DANGOUMOIS, respectievelijk fabrikant, kwaliteit en plaats van herkomst aanduidende.

B en C zijn op 't eerste gezicht niet te onderscheiden, tenzij dan door de wijze van innaaien, (die echter naderhand bij vele exemplaren veranderd is.) Zij wemelen evenwel van drukfouten, zojdat het gemakkelijk is een criterium vast te stellen: Wij houden ons aan de eerste bladzijde (pag. 2):

B. C. reg. 7 v. b. over zulks overzulks.

„ 9 v. b. voor de Alweetende God voor de Alweetenden God.

„ 18 v. b. seder sederd.

„ 4 v. b. weinige menige.

Het laatstgenoemde is een gemakkelijk te hanteren en afdoende criterium,

Omtrent de verhouding van A, B en C, die reeds in het proces van de Rotterdamse nadruk in 1781 en volgende jaren een voorwerp van onderzoek geweest is, had Loosjes aanvankelijk deze opvatting: A, verreweg de beste, zou de oorspronkelijke druk geweest zijn (drukker: Heyligert te Leiden). B en C vormden te zamen de Rotterdams^ nadruk. Van Rijn toonde aan, dat B en C verschillende uitgaven waren, o. a. hieruit blijkende, dat B door de rugvouw der vellen ingenaaid was, terwijl bij C drie steken door de rugmarge gegeven waren (men had hier dus op primitieve wijze door alle bladen heen geboord).

Overigens meende Van Rijn aan Loosjes' onderstelling, dat A de oorspronkelijke druk was, te moeten vasthouden, ondanks twee bezwaren, die zich bij het onderzoek aan hem hadden voorgedaan t.w.: 1°. B en C staan ver beneden het peil van het drukwerk, dat anders van de pers van Jacobus Bronkhorst, alias Koos Horrel, de kreupele held van het Rotterdamse persdelict, kwam, 2°. Uit de processtukken, hierop betrekking hebbende, was het Van Rijn waarschijnhjk geworden, dat de Rotterdamse nadruk in garmond-lettertype gedrukt moet geweest zijn, terwijl het voorbeeld daarentegen een dessendiaan-letter vertoonde.

Daar nu, op het eerste gezicht, de letter van A iets kleiner schijnt dan die van B en C, en volgens Van Rijn een garmond is, zou er, mede op grond van het onder 1°. aangevoerde, veel voor te zeggen zijn, B of C voor de eerste uitgave, A voor de Rotterdamse nadruk te houden.

Van Rijn deelt niet mee, waarom hij de conclusie niet trekt. Durfde hij het niet aan, de zqyeel betere A voor een nadruk te verklaren? Waarschijnlijk staat deze terughouding in verband met een door hem gedane poging, om, met behulp van kentekenen als papier, watermerk (dat A toevallig vertoonde, zie boven), enz. de drukker en vervolgens de schrijver te ontdekken.

Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat de toepassing van een zeer eenvoudige truc, b.v. het gebruik van ander papier, e. d. al de scherpzinnige onderzoekingen van een bibliograaf, die alleen met de do/le stof rekent, te schande kan maken. Men mag niet al te lage gedachten van de slimheid van een boekdrukker hebben 1

Sluiten