Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

4 bladzijden op een dubbeloctaafje komen te staan, waarna alles te zamen door het witte omslag omsloten wordt, begint bij C het eerste hele katerntje met bladz. 3, (3—10, 11—18, enz.), terwijl bladz. 1 en 2, 75 en 76 te zamen op een dubbeloctaafje gedrukt zijn, dat als een binnenomslag om de 9 katerntjes gelegd werd, waaromheen dan nog weer het witte dubbeloctaafje geslagen was.

In de bibliotheken werd, op de genoemde enkele uitzonderingen na, het witte blad verwijderd, bij C 9 werd het in zijn geheel buiten de naaidraden aangeplakt. De wijze van innaaien werd ook niet gehandhaafd; men maakte het touwtje los en naaide dan op de gewone wijze in, n.1. door de rugvouw. Evenwel zijn bij de op deze wijze behandelde exemplaren de oude doorslagga'ten, (3 bij A, 2 bij C, B was door de vouw genaaid), zeer duidelijk zichtbaar; zij wijzen niet op een losmaken uit een band. Bij de nieuwe manier van innaaien, kwam echter door het bovenvermelde verschil van samenstelling bij A en C de naaidraad niet op dezelfde plaats te liggen, bij A na bladz. 4, 12, 20, 28 enz., bij C na bladz. 6, 14, 22, 30 enz. bij A kon het dubbeloctaafje (bl. 73—76) op de gewone wijze mee ingenaaid worden (draad na bladz. 74), maar bij C moest men anders te werk gaan. Daar werd het dubbeloctaafje, dat hier als binnenomslag diende, bevattende de bladz. 1, 2, 75 en 76, door midden gesneden en de 2 verkregen losse blaadjes voor en achter aangeplakt. Daar aan de achterkant ook wel een stuk weggeknipt moest worden, zijn de doorslaggaten niet altijd meer te zien; wel duidelijk echter nog b.v. bij 't ingebonden ex. C 2.

Van B heb ik geen enkel exemplaar in zijn oorspronkelijke vorm onder de .ogen gehad.

B 4 heeft 3 steken door de rugrand, B 1, 2 en 3 door de vouw, B 3 vertoont 3 oude steekgaten door de rugrand. Daar B 1 en 2 echter niet het minste spoor van doorslaggaten in de witte rand vertonen, is het zeker, dat B, in tegenstelling met A en C, oorspronkelijk door de rugvouw genaaid is. De samenstelling was evenwel als bij C n.1. 9 hele katerntjes, waarvan 't eerste bij bl. 3 begon (draden bl. 6, 14 enz.). Van Rijn noemt als een kenmerk van B tegenover C, dat 'teerste en laatste octaaf je aangeplakt zijn. Daar we dit reeds bij C hebben leren kennen en bovendien nog als een operatie van later tijd, vervalt niet alleen het kenteken, maar is het zeer waarschijnlijk, dat ook B een binnenomslag met bladz. 1—2 en 75—76 gehad heeft, mogelijk ook een wit buitenomslag.

Aangaande een paar van de hierboven vermelde exemplaren een opmerking: A- 10 is met 8 andere tractaatjes in één band-saamgebonden, met een „ex hbris"-schutblad: een door engeltjes omgeven schild, waarop geschreven staat: „Aan het volk van Nederland en daarop uitgekomen" (geschriften n.1.); aan de voet der bladzijden aantekeningen van dezelfde hand. Blijkens deze aantekeningen (één spreekt van de gezegende revolutie Van 1795) is het 't zelfde exemplaar, dat Loosjes vermeldt in „Nog een en ander", bl. 13. Capellen noemt hij eenmaal; tweemaal spreekt hij van „de schrijver",' in generlei verband met Capellen. 't Is duidelijk, dat hieruit, ondanks Loosjes, wel het tegendeel blijkt van bekendheid met de schrijver.

A 11 is in originele leren band gebonden met: „Antwoord van het goede Volk van Nederland." C 10 is gebonden, vóór met 22, achter met 16 blaadjes schrijfpapier, samen 72 bladz., blijkbaar om er aantekeningen, in verband met het pamflet, op te maken. Als een begin hiervan is te beschouwen een

Sluiten