Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

Onder de „vraagarticülen" dan van dat verhoor, hetwelk de 19de Juli 1785 afgenomen werd, komt het volgende pro memorie voor: „Aan de Gev* (gevangene) het originele exemplaar, zoowel als het herdrukte exemplaar in judicio te vertonen ..." En voorts laten de volgende woorden van de hoofd-officier: „. . . . daar het zeker is, dat het gemelde exemplaar met een dessendiaanse letter, en het bij Gev8 herdrukte boekje met een garmondse letter gedrukt zijn, en het boekje . . . aan het volk van Nederland in geen ander soort van druk als toen in wezen is geweest" *) — aan duidelijkheid niets te wensen over.

Van Rijn, die A voor een garmond-editie hield, kon niet meer met een gerust geweten A voor de oorspronkelijke druk houden. Of B, of C, moest daar nu voor in aanmerking komen.

Welke middelen staan ons nu ten dienste om de prioriteit van een dezer twee te bepalen. De speculaties van Loosjes geheel verwerpende, meende ik, dat er niets anders overschoot, dan de corpora in natura naast elkaar te leggen, m. a. w. de uitgaven B en C regel voor regel en woord voor woord te vergelijken.

Daaruit bleek mij alras, dat B en C zeer nauwe verwantschap vertoonden; zo nauw, dat er geen twijfel overbleef, of de een was van de ander afgedrukt: een massa slaafs nagedrukte fouten, waaronder vele zetfouten bewijzen het, b.v.

bl. 6: maekte; de allerijselijkste Placcaaten.

bl. 7: in Switserland (in als eerste woord van de zin zonder hoofdletter);

(zij) vereenigde zig' allen; Granvellen; minagtig. bl. 19—20: moe-en (i. p. v. moeten).

bl. 21: (laatste woord): partiepanten (later steeds goed B, Q. bl. 35: verradelijk. bl. 40: Godbeeters.

bl. 72: U en u huis, (later B, C: uw huis); dit ontschuldig U niet; deezes Brief.

Enzovoorts. Al deze dingen staan in A anders en beter. Er is derhalve geen twijfel mogelijk, dat B van C, of C van B, rechtstreeks afgedrukt is: A kan de middelterm niet geweest zijn. Een en ander versterkte mij in het vermoeden, dat een van beide de oorspronkelijke druk moest zijn; immers het is wel waarschijnlijk te achten, dat de afdrukken altans een van beide, gemaakt zijn, niet van afdrukken, maar van de oorspronkelijke uitgave. Maar hoe de prioriteit te bepalen ? Ik was geneigd, aan C de voorrang toe te kennen, omdat bijna alle dwaasheden, die in C voorkomen, ook in B te vinden zijn, terwijl het omgekeerde niet het geval is. Dat er een zeer slecht nadrukker aan het werk geweest was, viel niet te betwijfelen; aan zijn kant dus de meerderheid van de fouten. Zo heeft B bl. 54: op de moedigste wijze, C: op de demoedigste wijze (smeken n.1.). Vóórts bleek C me veel ruimer vertegenwoordigd in de bibliotheken. Evenwel, dit gaf geen zekerheid.

Ik heb toen getracht te bepalen, welke van beide de meeste verwantschap met A vertoonde. Was dit bijgeval óók C, dan zou C in 't midden van de 3 komen te staan en 't vermoeden van zijn oorspronkelijkheid versterkt worden. Het zoeken was dus naar gemeenschappelijke kenmerken tussen

*) Deze laatste opmerking kan nog dienen.

Sluiten