Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn God, bad ik, mijn God, de zon is mild en mijn hart klopt, wat moet ik alléén doen. Kan niemand mij helpen, en is er geen middel om op te staan, om diep den adem in te halen? Is er geen wijs om te leven?

Zoo heb ik, geknield onder een weelde van glanzende appels, gebeden, hoewel ik de lippen niet ontsloten heb. Toch moet ik warm gepleit hebben, want op dat oogenblik vlogen de duiven op van het dak van de hoeve, en werd de gave in mij wakker, die het erfdeel van de elfen is. Het duizelde mij, het leek me, of ik bezwijmde, en plotseling had mijn hart zich in een klokhuis herschapen, waarvan al één pit rijp was geworden, en de overige de kleur hadden van wilde kastanjes, en om deze schatrijke kluis heen zwol geurig het sneeuwwitte vleesch op, doorzaligd van zuren en sappen, totdat ik als de mooiste van de belle-fleuren hoog in het loover mij zonde."

Mijn speelman ligt te ijlen, dacht ik, zeker is de koorts gestegen; en terwijl ik naar de manier zocht, om hem voorzichtig in de rede te vallen, piepte de deur open, en de moeder van het achttal, die onder haar vleugelen nog voor een negende beschermeling een plaats leek recht te willen schikken, bracht een dampende kom binnen, waarvan de kruidenreuk de gedachten verfrischte.

Daarom rees ik haastig op, gaf haar een handkus als een edelvrouw, en riep naar de bedstee: tot morgen!

26

Sluiten