Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEERTIENDE HOOFDSTUK

Hoe een tocht wordt begonnen, en een kind er de beteekenis aan geeft.

Nog geen uur later zitten we samen aan den berm van den weg. De laatste krotten en sloppen van de voorstad hebben wij achter ons gelaten, en de hemel is langzaam aan grooter geworden.

Behagelijk schik ik mij terecht tusschen dê getuige halmen. Dit is een zetel, dien ik nog nimmer gebruikt heb; hoe ruim blijkt hij en hoe zacht. Dan kijk ik Valentijn aan, zeker omdat ik mij, door den aanblik van iets, dat bekendis, overtuigen wil, dat ik niet bezig ben om te droomen. Maar is hij in werkelijkheid mijn speelman wel? Lijkt hij niet twintig jaar jonger, kleurt zijn oude hoed, die verweerd fs, niet als een bloem op den akker, en kleedt het fonkelnieuw wambuis hem niet vorstelijk goed? Verlegen monster ik mijn eigen uitrusting: den rok en zijn kanten, de lage schoenen, rood gehakt, terwijl ik mijn vingers door de leeuwenmanen van mijn pruik laat glijden. Stel ik op deze manier niet een dansmeester voor, die het in zijn hoof d heeft gekregen, om onder de leliën des velds een emplooi te gaan zoeken?

Toch heb ik geen spijt nog over mijn ver van

61

Sluiten