Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en terwijl de stekelige schors van den denneboom, waartegen ik vast ben gebonden, mij langs den rug schuurt, moet ik aan de geparfumeerde kussens van een reiskoets denken, waaruit ik mij nü juist, als niet de vermaledijde muzikant mij zijn luchtkasteelen voor had gespiegeld, zou opheffen, om door de rammelende ruitjes een wérkelijk kasteel te zien opdoemen, dat uit zijn schoorsteenen den rook zou doen opstijgen van de voorbereidselen tot een weelderig bruiloftsfeest. En ik kan het in mijn verbitterde stemming niet laten, om mijn makker toe te roepen vanaf mijn winderigen uitkijkpost:

„Valentijn, van deze wisseling des lots zal je me rekenschap hebben te geven."

„Valentijn?" vraagt de hoofdman der roovers, met zijn steek in de hand op mijn reiskameraad toetredend, „toch niet de speelman, die dat hed over „de Prinsen van het woud" heeft gedicht?"

Valentijn knikt.

„En dat van „de rosbruine Deerne," dat door alle keelafsnijders en struikroovers bemind wordt," schatert een ander van de bentgenooten, in een patois zóó afschuwelijk, dat het me zuur als azijn op de tong brandt.

Ook dit wordt beaamd.

Alle vijf de schurken hebben zich om den gebochelde geschaard, en ik erger mij er grootelijks over,

83

Sluiten