Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na den maaltijd wierp ik nieuwe blokken op het vuur, maar mijn eersten nacht buiten, alleen met de stilte en de betooverende schaduw en schijn van de vlammen, bracht ik slapeloos door. Ook Valentijn scheen er geen lust in te hebben, om de oogen te sluiten, en zoo bedrogen wij de traagheid der uren met schoone verhalen en menig leerzaam tweegesprek.

Onder vele is dit mij in de herinnering gebleven.

„Valentijn," vroeg ik, zeker door de overvloedige zwelgpartij en het zachte dennenaaldenbed verlangend gemaakt naar een dommelig rustpunt „wat is toch eigenrijk het einddoel van de reis?"

„Natuurlijk die stad, waarover ik je al meer heb gesproken," antwoordde hij, „en waar ik je alleen van kan vertellen, dat zij twaalfduizend stadiën in den omtrek meet, dat er een schat van jaspis, beryl en sardonyx aan ten koste gelegd is, en dat de straatsteenen er het daglicht weerkaatsen, als zon vonkt op golven van bergbeken."

Ik haalde de schouders op.

In de vroegte vervolgden wij onzen tocht.

Na een paar uren bereikten wij het einde van het bosch. Onder een diep blauwen hemel vonden wij het landschap, vergeleken bij gisteren, veranderd. Wei nu en water, grazend vee. Drukkend zengde de hitte; wij waren vermoeid.

Achter ons dokkerde een kar aan. Het bleek ons

94

Sluiten