Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een wagen te wezen met den blonden boeket van den nahooi bestapeld. Een oude man mende de paarden, een meisje zat naast hem op den bok.

Valentijn, zijn gitaar zwaaiend, meldde ons aan als passagiers.

„Goed," riep het meisje, „voor een deuntje."

Lachend klommen wij den zoet-reukigen berg op, en betaalden daar dadelijk den prijs voor den rit. Dan staken wij onze hoofden over den rand van den stapel, waarbij de muzikant uit jokkernij aan onzen vrouwelijken voerman de vraag stelde, terwijl hij naar den mummelenden grijsaard wees, of wij geen teedere samenspraak hadden gestoord.

Schaterend verdedigde ze zich. Haar grootvader! En dan niet eens meer zoo. heelemaal goed bij zijn zinnen. Om harentwille werd hij op de boerderij geduld. Wel deed hij nog werk, want hun meester was een ongemakkelijk man, die samen met zijn twee slungels van zonen een hardvochtig bewind voerde. Zijn vrouw, eigenlijk de bezitster der hofstee, lag ergens ziek in een hok op den zolder, en als ze zou sterven, kon niemand voorspellen wat het einde van deze geschiedenis zou zijn.

„Zoo," zei Valentijn, terwijl hij het voorovergebogen hoofd langzaam terugtrok en zich op de halmen nedervlijde. Een voorbeeld, dat ik niet volgde.

Want tusschen den eenen volzin door van mijn

Ik. en mijn Speelman

95

Sluiten