Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meende, dat Valentijn het uit me weg gezongen had: de weidschheid van een doorluchtige woning, den rijkdom van een pralerige tafel, waaraan ik uit zilver bediend en uit kristal zou worden toegedronken, een park, dat ik met marokijnleer geschoeid zou doorwandelen, en waar ik mijn blauw zijden vest en mijn mantel van duur Hollandsch laken, naast den witten weerschijn van een godenbeeld, in den spiegel van een vijver zou bezien; krijgsroem ook, den oorlog, de schansen, geblaf van kartouwen en veldslangen, de rivier, die wordt overgetrokken, mijn vaartuig, dat kentert, en ik dan aan wal zwemmend met de vlag tusschen de tanden, en het planten van dat zegeteeken op de casemat; maar bovenal toch die zucht, dat verlangen, Hèm nader te komen, van wien eens gezegd is: zie, hoe het gelaat van den koning de zon is voorden hovehng, en ge zult het begrijpen wat het voor de heiligen beteekent, om voor het aangezicht van God te staan; te behooren tot die weinigen en uitverkorenen, die niet kuisch zijn uit kuischheid, noch uit dapperheid dapper, maar uit een subtiele berekening, een prachtig soort van ragfijn spel; met de schouders te duwen, te vleien: „vergeef mij", den vriend te gebruiken, hem dan te verloochenen, den vijand daarheen te lokken, waar de kuil gegraven is, om eindelijk, met den steek in de hand en gebogen, te wachten op de gunstbewijzen van een meer dan goddelijke willekeur.

Ik en mijn Speelman

159

Sluiten