Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen beging mijn vijand de grofste der fouten, hij wekte den toorn bij een onverschillige op. Zeker van zijn zege riep hij spottend:

„Ik vergat nog, als 't je bheft, doe mijn groeten zoo dadehjk daarboven aan een lambeenigen vriend."

Tiberius! En ik zag hem zijn arme, stuk geschoten achterlijf langs den weg sleepen. Wild werd een drift wakker, een dorstig begeeren, om een gehaat bloed aan het daghcht te brengen, stil en koud te maken wat bonsde van leven, en er bij te lachen, als een speler, die de twaalf oogen van zijn dobbelsteenen telt.

Mijn spieren spanden zich, en ik trilde en flitste in de punt van mijn degen. In een wervelende parade ontwapende ik hem, en als hij met de handen uitgestoken naar zijn rijdier vluchtte, diende ik hem een dracht slagen toe met het plat van mijn wapen.

Ik haalde uit, om er een eind aan te maken, maar toen juist, alsof de hemel zich had geopend en de laatste bazuin schalde, werd er halt geroepen met een gebiedende stem; het hoofd omwendend ontdekte ik, dat wij omringd waren door ruiters.

167

Sluiten