Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De waard begroette ons, welgedaan en zwaarlijvig, eerbiedig de muts in de hand houdend. Verwonderd staarde hij mij aan, mijzelf en mijn gehavende plunje, en het de oogen over het escorte van de gewapenden gaan. Hij deed, of ik hem ■ vreemd was, hoewel ik meende, dat hij mij heimelijk een teeken heeft gegeven. Echter kan ik mij daarin vergissen.

Mijnheer de Pomponne deelde zijn bevelen uit.

Voor ons drieën werd er in het priëel gedekt, voor de knechten in de gelagkamer, en telkens bracht ons een windvlaag het rumoer van luidruchtige vreugde. De trossen van den wingerd, nog bleek toen ik hier voor het eerst had gezeten, waren nu donker geworden van rijpheid. Ik kruiste de armen op de tafel, en dacht aan de hand, die daar in de mijne gerust had, zoo licht als een veder en kloppend als een angstig vogelhart. Maar ditmaal werd de bank, waarop Valentijn en Madeleen hadden gelachen, gezongen, van het eene einde tot het andere breed en gewichtig door mijn vader ingenomen; zijn harige vuisten lagen gebald naast zijn soepbord, zijn steenroode gezicht werd bevlamd door den brand van den avond.

Nadat hij geruischvol den neus had gesnoten in een vlag van een zakdoek, begon hij met mijnheer de Pomponne een levendig gesprek over een betwist stuk grond.

Onderwijl werd door den waard het eten opgediend.

173

Sluiten