Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK

Een stroozak van gloeiende kolen en een vossegezicht in het trapgat.

„Ja, «zeker," roept de herbergier uit, „een geelgrijze reiswagen, een scheeloogige koetsier, die drie kannen cider door het keelgat laat glijden en een halve ham heeft verzwolgen, het nichtje, dat er doodsbleek bij zit met haar rood bekreten oogen en geen stuk aanraakt van wat er op haar bord is gelegd, en dan nog de tante, het blanketsel meer dan een duim dik op de wangen, en den boezem bepoederd, als een heuvellandschap in den wintertijd. Het wegrijden, en de naam van de plaats van bestemming, dien ik duidelijk verstaan heb, het voortwaggelen van het krakend vehikel, en het deksel van een mand, bovenop de bagage tusschen de achterwielen, welke opgelicht wordt, en waaruit mij een aap toegrijnst met den spotlach van satan, voorwaar een kwalijk riekende geschiedenis."

Wij eindigen ons morgenontbijt. Het is halflicht, want nog in het donker zijn we aangekomen. Ik ben blij, dat het spoor niet is verloren, maar Madeleen's gezelschap staat mij niet aan.

„Ik voel me moe gedraafd als een af gemend strijdros, laten we slapen gaan," zucht Valentijn.

204

Sluiten