Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK

Hoe naar een verloren kleinood gezocht wordt, en de hand terecht komt in een slangennest.

Als in een korenwan worden we door elkander gehutseld, onze beeneh hangen te bengelen, en het daveren van den bolderwagen verdooft ons de ooren. Het licht staat laag aan den hemel, de dag neigt ten einde.

Den ganschen nacht lang zijn we op het pad geweest, alleen de morgenuren hebben we geslapen, en omdat ons doel zoo nabij is, gebruiken we, alle gevaren trotseerend, ook den middag voor den tocht. Vóór den nacht hoopten wij ons doel te bereiken. En nu heeft het geluk ons gediend: Een landman, door wien we op zijn leege hooikar mee zijn genomen.

Achter bij het krat zitten wij schouder aan schouder als twee papegaaien tezamen, en laten ons heen en weder hotsen op het wielengebots. We rijden door een kastanjelaan waarvan het loof al geel is geworden, en die door de zinkende zon tot een troonzaal gemaakt wordt. Valentijn's hoofd schijnt beslagen met goud als het gezicht van een godheid, en:

„Kijk," roept hij, terwijl hij naar een boerentuintje

210

Sluiten