Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want plotseling staat de wagen stil, zoodat we bijna achterover tuimelen. De landman heeft zijn plaats van bestemming bereikt. We springen van de kar af. De boer draait zijn biet-rooden kop om. Niets wil hij aannemen, geen dank zelfs.

Vanuit de verte hooren wij het geklap van zijn zweep nog, waarmee hij ons een groet nazendt. Dan trekken wij de stadspoort binnen, en zijn hem vergeten.

Sinds hoelang al heb ik het gewoel van de straten gemist? Het wemelen, het gegons, het gezwatel, ik voel ze me als wijn naar het hoofd stijgen. De venters, de werklui, de wafelverkoopers, alles roept, schreeuwt en tiert door elkander. Uit een koperslagers-smidse weerklinkt het gehamer, uithangborden knarsen op den wind. Karossen en draagstoelen maken ruim baan door de menigte. Een haastige rok sleept langs mijn beenen, en een waterdrager duwt mij zijn kruik in de zij. En dan nog het joelen der straatjongens, het gichelen van meisjes, wie een al te vurige blik in het bloed is gesprongen, en de luide stappen van een vèndel musketiers. Daarover een lichtglans van purper. Ik ghmlach gelukkig, want de zekerheid, dat Madeleen hier ergens uittuurt door een venster, draag ik teeder met me, als een vader, die warm ingepakt zijn kind naar huis brengt in de armen.

212

Sluiten