Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZE VEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK

Over gedaehtenbeelden in het binnenst van een geelgrijzen reiswagen.

De geelgrijze reiswagen, ja, daarin zitten wij nu.

Madeleen's hoofd leunt aan mijn schouder, en ik heb mijn arm om haar middel gelegd. Tegenover ons heeft Valentijn zijn plaats ingenomen en telkens, als door het voorbijvliegend schijnsel van een winkellamp of een lantaren, het binnenste van de karos verlicht wordt, zien wij een schim opdoemen van zijn genoeglijke Polichinellen-gezicht. De wielen daveren over het ongelijke plaveisel, de voegen kraken, de veeren knarsen, en de ruitjes rammelen door elkaar.

Wijzelven zijn de eenigen die zwijgen, want geen kan den ander verstaan. Des te roeriger gebaren zich mijn gedachten. In flitsen, in snelle tooneelen, die na een seconde weer verwisseld zijn, herhaalt het zich in mij, wat zich daareven, in de spanne tijds van zeker het kwartier van een uur niet, af heeft gespeeld: Het donkere huis, waarvan slechts één venster verlicht is; Valentijn, die den klopper doet neerdreunen, de deur, die op een kier geopend wordt, tegelijk de noodkreet verweg daarbinnen, en wij herkennen de stem. Een ketting in stukken gesprongen en een scheeloogig

215

Sluiten