Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK

Van boeken, bloemen en hun hovenier.

Ik wandelde met vader Nicol, den pastoor van Floreuse, onder een vlekkeloozen najaarshemel door een bloeienden tuin, waarover de scheef gemutste schaduw van den toren zich uitrekte.

Immers ik had mijn intrek in de pastorie genomen, en Madeleen bij Catharina, Valentijn's vriendin, achtergelaten, terwijl mijn makker zelve in de herberg van Jacobus logeerde.

Aandachtig genietend dwaalden wij langs de paarsblauwe asters, de dahlia's en de zonnebloemen, en keken bekoord op naar dansende zweefvliegen, "het bonzen van hommels en het buitelen van een vlinderpaar.

Voor onze voeten maakten twee Barbarijsche windhonden hun sprongen, en op een zonnige schutting begluurde ons een fraai gestroomde Cypersche.

De pater, hijgend en zweetend, had de gescheurde soutane losgeknoopt, en met zijn blooten, bruinen nek, zijn opgestroopte mouwen, leek hij, zwaargebuikt en plantaardig, op den, voor de zielsrust van de dorpsgenooten gelukkig verminkten, Priapus,

225

Sluiten