Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die ons op zijn voetstuk van hardsteen tusschen het struikgewas toeglunderde.

Zelfbehagelijk wees hij mij het veldje, waarop hij in het voorjaar zijn tulpen geteeld had, de Belle Bruxelles, de Oriëntale, La Veuve, Agathe, en de witte Dorothee. Dan leidde hij mij langs de perken, waarin zijn Hevehngsbloem, de anjer, had gepraald, om rnij vervolgens naar den boomgaard te brengen, waar heel de oogst nog aan de takken hing. Hij reikte mij een rijpen appel, in het gras gevallen, en met de oogen half gesloten at ik dien. Zijn bijenstand ook moest ik bewonderen, vijf goudgele korven, bruin om het vlieggat, zoetreukig, en in hun binnenst vol muziek.

Daarna plukte hij een ruiker, en bij iedere bloem, die hij afbrak, scheen hij, geestelijke gaardenier als hij ook was, zich een van zijn parochianen te herinneren, en vertelde mij er een blijhartige geschiedenis van.

De armen beladen met herfstpluk gingen wij het huis binnen. Wij brachten onzen last naar de keuken, heten het water boven een steenen bekken over onze handen stroomen, en maakten het ons dan gemakkelijk in het studeervertrek.

Ik was vervuld van de vraag, die ik hem doen moest, maar die ik nog niet over de lippen kon dwingen.

Hij bood mij een pijp aan, en als wij de koppen gestopt hadden, en ze aangestoken, steeg de rook op naar de zoldering. Weer gonsde het spinrad in de

226

Sluiten