Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschimmeld, van de gnostici te voorschijn: Simon Magus, Valentinus en Basilides, een wonderlijk soort kettersekte, dié gelijk zou hebben gehad, dat de wereld door een duivel was geschapen, als het waar was, dat we hier niet anders dan bitterheid zaaien en leed konden oogsten. Vol piëteit sloeg hij een Virgilius voor mij open, dien hij een bode gods noemde, door wien de heiland aan is gekondigd; een deel van Livius hield hij tegen mijn oor aan en vroeg mij ernstig, of ik den dreunenden pas der legioenen niet hoorde, het sein van de tuba, het juichen over zegepraal.

„En hier mijn confraters," schaterde hij vergenoegd, twee banden tegen elkander kloppend, „van den curé van Meudon dit, Gargantua, Pantagruel, en van Amyot dat, die een abt was, en Plutarchus vertaald heeft en bovendien nog Daphnis en Chloë, het liefelijkste juweel in de kroon van de schoonheid."

Nog liet hij mij van de nieuweren La Rochefoucauld zien en La Bruyère's Karakters, ik kende ze beide, terwijl hij glimlachend mij aanwees, hoe hij Fénélon, den zachten, onschuldigen, naast zijn vijand, den spraakgeweldigen Bossuet, had gezet, als het lam naast den wolf in die kostelijkste der fabelen.

Eerbiedig betastte ik wat mij werd gereikt, ik voelde de koelte van het perkament aan de vingers, en het warme leven van het korrelig weeke leder. Voorzichtig sloeg ik een blad om, las ik een zin na, of had mijn

228

Sluiten