Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wers dansten we onze vreugd uit in die menuet. Dan stak Madeleen een arm onder den mijne, en zoo snelden we door een achterpoortje de eenzaamheid tegemoet.

„Ja," zei ze, terwijl ze zich dicht tegen mij aandrukte „alles heb ik hem verteld, meer dan aan jou, Frido."

Dit een beetje schuldbewust en bezorgd, waarop een breed gebaar van mij volgde, inhoudrijker dan de wijdloopigste rede: genoeg onze liefde, niet storen, niet breken, geduld nog, voor later; het gebaar van een jeugdigen droomer, die toch niet vast nog op de hechtheid van zijn droom vertrouwt.

„Je hadt hem daar moeten zien zitten," ging ze ademloos voort, „hij en ik hem tegenover, en tusschen ons een zonnestraal, die het perkament van een bijbel verzilverde. En hij zoo aandachtig, zoo goed gezind en gulhartig, dat het me een zelfde gevoel gaf, als je soms van een naar aarde geurenden akker kunt krijgen, die wordt omgeploegd. Hij luisterde geduldig met'zijn hoornen snuifdoos in de hand. Het zal zoowat midden in mijn verhaal geweest zijn, dat hij me eensklaps uit wijd open oogen aanstaarde, en den inhoud van zijn snuifdoos over het boek stortte, louter leek het, van verwondering. Allebei werden we door een niesbui overvallen, en toen was het, terwijl we nog proestten 1 en schaterden, dat hij zijn toestemming gaf."

232

Sluiten