Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK

Beschrijft dagen die geen andere kleur dan die van het verlangen bezitten.

Valentijn was vertrokken, en de wagen met zijn héugelijke, jubelende lading was het dorpsplein opgezwenkt.

Voor de huisdeur hadden wij hem met ons drieën staan afwachten; en daarenboven nog heel wat Floreusenaars, kinderen, moeders, lichtzinnige schoenmakers en snijdersgezellen, waren uitgeloopen, om bij den intocht tegenwoordig te wezen.

Een voor een werd elk van het terdege voor de vochtige herfstkou ingebakerde achttal aan ons overgereikt, en een feest werd het, om heimelijk de uit de doeken te voorschijn blozende frischheid van een blij kindergezicht tegen het mijne te drukken, en dan het wollen bundeltje voorzichtig op de voeten neer te zetten.

Het laatst klom Martha uit de kar. Catharina legde een hand op haar schouder en fluisterde haar een paar woorden in, en dan maakte de kantwerkster voor mij een hupsche buiging, stak' mij glimlachend een wang toe en groette mij met een „dag Frido." Neen, ik geloof niet dat er op heel mijn zwerftocht zoo'n stralende zon heeft geschenen als die

243

Sluiten