Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nicol richten. Hij spreekt mij persoonlijk toe. Over mijn toekomst.

Niemand kan het voorspellen, zegt hij, of ik een veldheer of een staatsman zal worden, daar immers alle wegen voor mij openstaan; ook is het mogelijk, want heeft hij mij niet als een vriend van de dichtkunst leeren kennen, dat ik een geschiedenis van het land zal schrijven, mijn volk een nieuwe waarheid zal brengen, of mij in liederen uiten zal. Maar dit weet hij zeker, dat wat ik ook moge beginnen, ik het anders dan wie ook ten einde zal brengen, daarom alleen al, omdat het door een sprankel van die zalige dwaasheid zal doorlicht wezen, die ik van den wildzang der vogels, het ftuschen der bladeren en bovenal ook uit het gonzen van de snaren van een oude gitaar heb geleerd.

En nu richt hij zich met warmte tot Valentijn, die op zijn paaschbest vlak achter ons is gezeten, en hij noemt hem een gids en een genius, onder de schaduw van wiens vleugelen het een zegen is, om de verborgen paden van de wereld langs te dwalen.

Het is, of me een zomersche windvlaag uit die woorden tegemoet suist, de wonderen van de maanden, die verloopen zijn, in een zoet ruischen mij toevoerend. En weer hoor ik de sprookjes dier wonderbare herscheppingen, mij op dat ziekbed toevertrouwd, en begrijp ik nu wat hij bedoeld heeft, toen hij mij zeide,

256

Sluiten