Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sems tegen ons trouwfeest, en bezwoer mij, hoeveel plechtiger het geweest zou zijn, als de bisschop zelve, en niet zoo'n verschooierde landgeestelijke, met een schoon klinkende rede ons huwelijk ingezegend had, als het voorplein van den huize Almonde gezwermd had van koetsen" en draagstoelen, als in plaats van die dorpers en speellieden de bloesem van den adel met ons aangezeten had, en als hij zijn beroemde kristal, zijn zilver en zijn porseleinen vaatwerk uit schrijn en kast voor den dag had mogen halen.

Ik ergerde mij vreeselijk, maar toch voelde ik, dat mijn welgezindheid ook hèm wachtte, en hij mij dierbaar zou worden, evengoed als een landlooper zich hecht op den duur aan de vloo, die hem tusschen de huid en het hemd huist.

Met Mathilde kon ik weinig samen wezen. Datdeongeloofelijke droom, dat ik haar mijn eigen mocht noemen, in werkelijkheid waar was, kon ik eigenlijk alleen nog maar afleiden uit Benserade en Villeroi, die haar met den steek in de hand en de degenpunten in de hoogte wippend, mevrouw de Lingendres noemden, en uit de hoffelijke afgunst van mevrouw de Soubise.

Even soms konden wij elkaar bij de hand grijpen, of een kort, warm woord wisselen; maar dan werden wij weer dadelijk met een heildronk bedacht, bejubeld, en toegesproken, en onder zooveel gelukkige jaren begraven, als Genesis over de patriarchen uit heeft gestort.

262

Sluiten