Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hongaar in dubbelen zin: Magyaar en Zigeuner, een echte zoon van het ras, dat bij het rinkelen van zijn sporen danst. Zijn landgenooten verstonden hem goed, toen zij hem als eere* geschenk een enorme sabel aanboden"

De beschrijving, die een Weensch verslag van Liszt geeft, doet ons nog het meest aan de gravures door tijdgenooten van hem denken:

„Stel u zich een mageren, smalschouderigen, langen man voor, gekleed in een rok, tot aan de kin toegeknoopt, met over het hoofd en in den nek neervallend donkerblond .haar, een om gewoon spiritueel, beweeglijk, bleek, hóógst interessant gezicht, een zeer levendigen aard, met oogen, tot alle uitdrukkingen in staat, brillant in zijn conversatie, welwillend, en sprekend met een scherpen nadruk — en ge hebt Liszt, zooals hij gewoonlijk is. Zet hij zich echter voor zijn instrument, dan strijkt hij zijn haar achteruit, de blik wordt star, het oog hol, het bovenlijf rustig, alleen het hoofd en de gelaatstrekken bewegen en hun uitdrukking weerspiegelt de stemming, die hij wil oproepen. Deze fantastische buitenkant is de omhulling van een innerlijken vulkaan, waaruit de tonen als vlammende lava losbarsten. Dan denkt men noch aan zijn handen, noch aan zijn techniek, noch aan zijn instrument, een ongekend gevoel grijpt ons aan en trekt ons met geweld met zich mee naar die hoogte, waar het alten kleinen van geest begint te duizelen. Men kan zich geen voor* stelling van dit spel maken, men moet het gehoord hebben."

,Jien moet het gezien hebben" schreeuwt de enthousiaste Joseph d'Ortique, „hoe hij Mijn oogen opent alsof hij de inspiratie van boven ontvangt." Was Liszt zich zijn „houding" als optre* dend virtuoos bewust, die vaak iets van een tweede natuur bij hem scheen aan te nemen? Toen hij voor Ary Scheffer poseerde, die zijn portret schilderde, riep deze geërgerd uit: „Wat ik je bidden mag, Liszt, acteer voor mij niet den man van genie. Je weet, daar loop ik.niet in." Liszt zweeg een oogenblik nadenkend, toen zei hij: „Je hebt gelijk, vriend. Maar je weet ook niet, wat het is, wonderkind geweest te zijn." Een ander maal, na een concert, vraagt hij Legouvé „over de keerzijde van mijn talent te zwijgen". Een grootmoedige bekentenis, die niet veel virtuozen zouden gedaan hebben. Ook ontbrak bij Liszt's publieke triomphen een enkele maal de ironische noot niet. Na een van Liszt's geweldigste voordrachten, tijdens den Thalberg* strijd, betrad de echtgenoot van de pianist Camille Moke, Pleyel, het podium, en keek melancholiek in de piano. „Wat doet ge daar?" vroeg men hem. „Ik blik neer op het slagveld en tel de dooden en gewonden."

Toch, het was niet alleen door de kracht van zijn persoonlijk*

16

Sluiten