Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den geheelen omvang van het orkest vast en de tien vingers van een mensch zijn voldoende om de harmonieën weer te geven', welke gespeeld worden door een combinatie van honderd musici. Wij spelen gebroken accoorden gelijk de harp, lange aange* houden tonen zooals de blaasinstrumenten, staccato's en duizend verschillende passages, welke vroeger alleen door dit of dat soort instrument afzonderlijk waren voort te brengen. Hef klavier heeft aan den eenen kant het vermogen om op te slorpen, om het wezen van alle andere instrumenten te omvatten, aan den anderen kant heeft het zijn eigen leven, zijn eigen groei, zijn eigen individueele ontwikkeling." Met de groote onafhankeujê* heid der vingers onderling, die Liszt nastreefde, was het hem mogelijk verschillende instrumentale effecten van klank in één accoord te bereiken. „De vingers van Liszt waren zoo buigzaam en soepel, dat het je zenuwachtig maakte er naar te kijken," vertelt zijn leerlinge Amy Fay.*) Het lag geheel in de koninklijke natuur van Liszt, zijn kunst tot het uiterste meester te willen worden. Hij durft sprongen te doen, die niemand vóór hem durfde, gaf effecten, die men nog niet gehoord had: diepe kwintentremolo's als een dozijn pauken, volle grepen van een orchestraal geweld, wonderlijke kleurschakeeringen in den klank, de zeven octaven in uit elkaar liggende tonen, enz. „Onvergelijkelijk," zegt Moriz Rosenthal in zijn herinneringen aan Liszt, „zooals Liszt tonale stijgingen tot de uiterste glanst rijkheid opvoerde, grandioos zooals hij geheele orkestmassa's donderend op de toetsen liet weerklinken."

Tot de stoutmoedige technische opvattingen van zijn spel heeft ongetwijfeld het hooren van Paganini's verblindende tech* ntek hem den stoot gegeven. „Ik wil ditzelfde voor het klavier," riep hy na diens concert uit. Rosenthal meent, dat Paganini's „violistische werkingen met het klavier niets van doen hebben en slechts de eerzucht van den pianist kunnen prikkelen zonder voor zijn vindingskracht nieuwe uitzichten te openen"; maar men behoeft toch Liszt's „Paganini*etuden" maar te bekijken om in te zien, dat Liszt de „Caprices" van Paganini transponeerend, daarbij de individualiteit van het klavier geenszins uit het oog verliest en b.v. het vlugge op* en afgaan op de vioolsnaren door vol klinkende arpeggio's ondervangt; hoewel het waar is, dat zijn eerste bewerking alleen door hem zelf speelbaar bleek en er

*) Liszfs handen waren niet abnormaal groot, smal, met regelmatig gevormde, slanke vingers, maar met een buitengewoon lange duim — Klindworth zag Liszt met de linkerduim „zulke dolle dingen doen, dat men gelooven kon, dat hij de dubbele lengte van een gewonen duim had". — De spierbundels bezaten echter een zeer groote rekbaarheid en bewegelijkheid, waardoor Liszt een duo-deciem kon spannen en deciemen met tertsvulling in akkoord-ligging spelen.

18

Sluiten