Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te kleven dan er op te slaan" zei men van zijn handbewegingen. De toetsenrameiende krachtpatserij van latere klaviervirtuozen stamt zeker niet van Liszt, en hij heeft er genoeg tegen gewaar* schuwd, dat men met slaanbewegingen geen klavier speelt, maar klavier ranselt, en hiermede slechts een opeenvolging van tonen en klanken naast elkaar in meer of min snel tempo verkrijgt, maar geen waarlijke proportioneering, geen waarlijk centraal gestuwde krachtuitvloeiïng, modelleerend met de vloeiende vormen der muziek mee, zoodat het musiceeren inderdaad tot „de Stem van God in ons" wordt. Stechts door een centraliteit 'kan een ware harmonie der dingen geschapen worden en een harmonie verbreid." Doch deze harmonische vrije ontvouwing der kunst is niet te verkrijgen met mechanische oefening en doode studie. Deze centrale harmonie moet ook uit een bezielde eenheid van den mensch zelf verworven worden. ,J)aarom,' zegt Liszt, „behoort dit streven gepaard te gaan met het ver-A langen in ons om ons wezen universeel te maken en de ontwik* keling der individueele vrijheid, los van alle „bijzonderheid", te verkrijgen. Slechts de waarlijk harmonische mensch, die zijn denken, voelen en doen heeft weten te identificeeren met de groote oerkrachten van het levensprincipe, is in staat zijn kunst* daad te volbrengen in centrale betrekking tot de opperste har* monie van het wereldstelsel, weerspiegeld in de opperste har* monie van den souvereinen geest."

Liszt heeft zijn ideaal inderdaad hoog gesteld: de virtuositeit zelve te veredelen tot een openbaring van de vrijheid van den menschelijken geest! . ,

Hoe Liszt zelf in de „geordende vrijheid" van zijn virtuositeit meester geworden van die edele overtuiging, die hij met alle krachten in zich uit idealiteit tot daadwerkelijkheid wilde ver* lossen, volgens de belofte, die hij zich zelf ter vervulling opgaf, toen hij in 1840 bij den dood van Paganini schreef: „3foge de kunstenaar van de toekomst met een oprecht hart afstand doen van de ijdele, egoïste rol, die, hopen wij, in Paganini haar laatste schitterende vertegenwoordiger heeft gevonden, en voortaan zijn doel in zichzelf, niet buiten zichzelf vinden, bedenkende, dat „Génie oblige", kan niet beter tot ons spreken dan in de woorden van Amy Fay, zijn Amerikaansche leerlinge, in haar „Music* study in Germany":

J>e adel en de onzelfzuchtigheid van Liszt s spel moet men gehoord hebben om het te verstaan."

,JEr was iets in zijn toon, dat tranen ontlokte, omdat het zoo verheven en nobel was." Hier, in het verwerkelijkt ideaal van het groot*menschehjke van zijn spel, komt ons Liszt wellicht het machtigst voor. Het blijkt niet anders dan duidelijk dat een

21

21

Sluiten