Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch de muziek blijkt niet meer de eerste plaats in zijn aan* dacht in te nemen. De koortsige polsslag van zijn tijd begint zich ook aan zijn denken mee te deelen en onder zijn persoonlijk leed neemt zijn zoeken naar bevrediging van ontwaakte, onbe* stemde gevoelens bij hem, den geloovigen Katholiek, den harts* tochtelijken en onrustigen vorm aan van een soort vrijdenkerij, die bijna tot ketterij voert. Gekwetst en verbitterd door het onrecht van een standsverschil, dat de rechten van den mensch beleedigt, welke alleen op den adel van het gemoed gebaseerd behooren te wezen, en die gelijk zijn zoowel voor de hoogst als voor de laagst geplaatsten, woont hij de vergaderingen der SaintsSimonisten bij, die door Père Enfantin, den zonderlingen leeraar van de „emancipatie des vleesches", worden geleid, en waarin hem vooral de hooge plaats, die aan den kunstenaar wordt toegekend, aantrekt. Later, onder de schaduw van La Chênaie, het verblijf van zijn vriend, den abbé de Lamennais, zal hij met een gretig oor luisteren naar leerstellingen, die reeds door Rome zijn in den ban gedaan.

Gaat de jonge Liszt met de revolutionairen den trom roeren? Loopt hij te hoop met de jonge ideeële beeldenstormers, die den oorlog verklaren aan „alle grijsaards", en God alleen nog maar toelaten met een vrijheidsmuts op?

„De waarheid is, dat ik mij in dien tijd zonder eenige kennis van de wereld, ongebreideld door de hartstochten liet leiden en mij om niets bekommerde," zegt de oude Liszt.

Nog is Liszt de sombere, lijdend uitziende jongeling, dien von Lenz op zijn kamer aantreft met een pathetische allure van traagheid in den hoek van zijn breede sofa geleund en kalm voortgaand zijn lange Turksche pijp te rooken, alsof hij de bin* nenkomst van zijn bezoeker niet heeft bemerkt; die met een sportenden glimlach zijn aspiranfrleerling uitnoodigt om te spelen op een piano» die hij voor de kracht der vingers gebruikt en die nog bij den zwaarsten aanslag nauwelijks klank gaf. Maar von Lenz heeft in zijn glimlach „het even flikkeren van een dolk" gezien, de atmosfeer rondom hem is reeds vol van een oproer der zinnen, die spotten met het afscheid van het leven door een kind.

Uit zijn laatste apathie wordt Liszt gewekt door de boeken, die hij leest, waarin hem den aan zijn psychischen toestand zoo* zeer verwanten geest van zijn tijd wordt geopenbaard, die met vuur zoowel in de politiek als in de kunst voor de vrijheid en voor de rechten van den mensch opkomt, die spreekt van de ziel, de menschelijke doeleinden, over de beloften van den godsdienst en de 'goddelijkheid van het menschwezen. „Met de schitterende en sombere revolutionairen van de romantische poëzie (Byron,

46

Sluiten