Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Chateaubriand, de Sénancour) wond hij zich op tot een fiere verachting der conventies; hij sidderde met hen onder het juk van heerschers, die niet als basis het genie of den gemoedsadel hadden, hij wilde geen onderwerping, geen berusting meer, maar een heilige haat, onverzoenlijk en wraakgierig, tegen alle on* gelijkheid."*)

Liszt verlaat bijna niet meer zijn kamers. Hij leest; hij leest als een razende. Hij leest Chateaubriand's „René", den Franschen „Werther": een vulkaan, een naam waarmede hij leert bidden als anderen met den naam God, hij leest het zwaarmoedige „Obermann" van de Sénancour. Dit waren beiden boeken, die, hoewel reeds onder het eerste Keizerrijk verschenen, de Bijbels werden voor een generatie, die omstreeks 1827 leeft en in de Sénancour's „Obermann" deze onbestemde smart ontdekte, die voor haar een verrukking is en voor ons haar „mal de siècle" inhoudt Obermann is de mensch, „die niet weet wie hij is, wie hij bemint, die lijdt zonder doel, die verlangt zonder doel, en die alleen ziet, dat hij niet op zijn plaats is en zich ten slotte in de leegte en in een eindelooze wanorde van verdrietigheden stort."

Joseph d'Ortique ziet Liszt vier uur aaneen met een deeltje van Lamartine zitten, Lamartine, de „poête heureux du siècle", wiens naam hij later verheerlijkte als „in een tijdperk van on* standvastigheid en verbitterde rivaliteit ons verschenen, stra* lend boven de regionen van de onweersstormen en wiens eerste lierzangen klonken in een gezuiverde en vrije lucht." Hij leest ook Rousseau, wiens leerstellingen opnieuw nawerken bij een generatie, die zijn vreugde in de als een landschap der ziel zoo rijk geschakeerde natuur opnieuw beleeft, die op haar dwee* pende manier opnieuw „de pracht der zonsopgangen, de door* dringende geheiligdheid der zomernachten en de verliefde schoonheid van meren en bosschages" ontdekt, al worden deze natuurbeelden door de romantici ook met een dichterlijke zwaarmoedigheid geteekend, zooals in „Obermann".

Aan Mignet, den schrijver van de geschiedenis der Fransche revolutie, vraagt hij: „Meneer, leer mij de geheele Fransche lite* ratuur kennen". Inderdaad, Mignet had gelijk, toen hij tot prinses Belgiojoso opmerkte: „In het hoofd van dien jongen man schijnt een groote verwarring te heerschen." Door Liszt's kamer ver* spreid liggen boeken van Montaigne, de Lamennais, Voltaire, Lamartine, Hugo, Rousseau, Sainte Beuve, Kant, Schelling, Hegel, enz. Deze chaos bewijst, dat hij zijn inwijding in den geest van zijn tijd nog al op een avontuurlijke wijze ter hand nam. Maar hij is ten minste zoo ver, dat hij in 1828 zijn eigen

*) Daniël Stern, Mes Souvenirs.

47

Sluiten