Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehouden zieleleven voelden aangetrokken, dat aan den dag trad in die verlokkende zwaarmoedigheid, die in zijn spel en zijn composities hun eigen poëtischen toon gaf. Helaas is ook thans nog Chopin het bedweepte ideaal gebleven van de juffrouwen, „die zich ijverig met pedaal*trappen onledig hou* den." Chopin zweeg over zijn „geheim", zooals hij dat deed voorkomen. Liszt poogt in zijn Chöpin*boek dit „geheim" onder woorden te brengen:

„Op een middag waren wij met zijn drieën bijeen. Chopin had lang gespeeld. Een der aanzienlijkste dames van Parijs*) voelde zich meer en meer door een stille wijding bevangen worden, zooals wel over ons komt bij den aanblik dier grafsteenen, welke de landschappen van Turkije bedekken, terwijl hun schaduw* rijke boomen en bloemengaarden den verbaasden wandelaar van verre een uitnoodigenden tuin voorspiegelen. Zij vroeg hem, door dit gevoel bewogen, waarom zijn hart zich toch met zulk een onwillekeurige vereering naar gedenkteekens liet trék* ken, die voor het oog lieflijk en bekoorlijk schenen? Met welke naam hij de ongewone aandoeningen betitelde, die hij in zijn composities verborg gelijk onbekende asch in een kostbaren

albasten urn ? De schoone tranen, die in zoo schoone oogen

blonken, ontwapenden Chopin en hij, die anders de geheime aandoeningen van zijn innerlijk in den glanzenden schrijn van zijn werken weg sloot, bekende met zeldzame oprechtheid, dat haar hart zich niet omtrent zijn zwaarmoedigheid bedroog; want, hoewel hij over het algemeen opgewekt scheen, was hij toch nooit vrij van gevoel, dat in zekeren zin den bodem van zijn gemoedsstemmingen uitmaakten en waarvoor hij slechts in zijn eigen taal een uitdrukking had, daar geen andere een analoog woord bezat voor het Poolsche „zêl". „Zêl," vervolgt Liszt, „is een zeldzaam veelomvattend woord en van een nog zeldzamere philosophie. Het omvat alle ontroering en deemoe* dige overgave van een berustende en tranenlooze smart, zich om zoo te zeggen met zachtmoedigheid voor de wet eener Goddelijke beschikking te buigen. Het spreekt zelfs uit Chopin's zoetste droomen." Huneker echter noemt dit „zal" kortweg: de schoonheid van het verval.

Aanvankelijk was de verhouding tusschen Liszt en Chopin die van jonge genieën, die elkaar vereeren. Wanneer Liszt de composities van Chopin bewonderde, bewonderde deze op zijp beurt Liszt's vertolking ervan. Chopin bewonderde ook Liszt's zekerheid tegenover het publiek, nadat Liszt in 1834 weer be* gonnen was op concerten te spelen. „Ik ben er niet voor ge*

*) Madame d'Agoult.

60

Sluiten