Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die de mode van haar tijd volgen en die haar salons pogen te verrijken met alle beroemdheden, die „en vogue" zijn, en ook Liszt najagen om er een der attracties van haar milieu van te maken.

Deze mode maakte reeds vele vrouwen dwaas en vele echt* genooten ongelukkig. Want de mode schreef nog iets anders voor: n.1. dat zulke vrouwen de Muze van groote mannen be* hoorden te wezen. Met gravin Laprunarède heeft Liszt nog een spel van een onbelangrijke minnarij kunnen spelen, zij heeft den jongen pianist, die haar gast was op haar ingesneeuwd kas* teel in de Alpen, geleerd hoe Amor den leeuw de nagels knipt, en deze verhouding wordt door Liszt, als hij te Parijs is terug* gekeerd, voortgezet met een briefwisseling, die hij schertsend als „hoogere stijloefeningen in de Fransche taal" heeft betiteld.

In den winter van 1833 op '34 maakt Liszt een nieuwe kennis* making. Thans ontkomt hij zijn noodlot niet. Het is de vrouw, die hij ook in zijn „Avond bij Chopin" beschreven heeft „met het schoone ovaal en de blonde zijdeachtige lokken, wier beeld door een zeldzaam spel van het toeval door de spiegel werd weerkaatst, als om het voor onze oogen te verdubbelen": Marie Sophie de Flavigny, gravin d'Agoult.

Berlioz heeft hem op haar verzoek aan haar voorgesteld. Liszt was er op voorbereid een zeldzame vrouw te zullen ontmoe* ten. Maar hij was ook gewapend met de waarschuwing van Berlioz, die hem heeft ingelicht, dat ,j\j een berekenend^ schoonheid is, die zichzelf aan de hartstochtelijkheid van den) man in vervoering brengt, doch in het ongeluk koud tegenover hem staat. Zij heeft geest en vuur, maar geen waarachtigheid".

Madame d'Agoult was inderdaad een schoonheid en voor Liszt, die de heilige Caecilia van Raphaël vereerde, zeker een ideaal van vrouwelijk schoon, met haar caméeachtig fijn pro* fiel, langs de slapen omlijnd door dik zijdeachtig blond haar, hoewel haar gelaatsuitdrukking haar het air gaf van een be* leedigde koningin. George Sand noemde haar „Ma prineesse", en als Beatrix wordt zij in Balzac's gelijknamig boek beschreven als een verschijning „met een prachtig, maar te stoutmoedig voorhoofd, met bleeke oogen onder traag neerhangende wun* pers, en die zich slechts in kersenrood fluweel met kant af ge* zet en met roode rozen in het haar behoefde te vertoonen om hemelsch te zijn". Dat zij feitelijk een andere George Sand was en een met een veel geringer intellect, ijdel en modezuchtig, — de vrouw die in haar minnaar alleen zichzelf, liefhad — bemerkte Liszt, verliefd op de liefde, niet dadelijk en haar schitterende en uitgezochte kleedij, waardoor zij zelfs in de salons den toon aangaf, bevredigde zijn smaak voor voornaamheid.

66

Sluiten