Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X.

Virtuozen*jaren.

Als Liszt najaar 1839 te Weenen aankomt begint zijn grootste periode als Virtuoos. Hij zet alle anderen, die zich vóór hem of tijdens hem lieten hooren, in de schaduw bij een publiek, dat hem eenstemmig tot den grootsten uitroept. Alleen Camille Pleyel, de Fransche Sophie Menter, kan zich naast hem hand* haven en Liszt is op haar concerten haar galante „cavalier ser* vant", die de bladen van haar muziek voor haar omslaat. Liszt speelt Schuberts „Erlkönig", dat op de toehoorders een huive* ringwekkende uitwerking heeft, hij speelt zijn klavier*partituur van Beethoven's „Pastorale Symphonie", hij speelt onder „Da capo"*gebrul der menigte een wals van Strauss: het concert duurt tot 1 uur in den nacht. Een geheel repertoire van Beet* hoven, Weber, Chopin, Schubert en van eigen phantasieën op operamelodieën brengt hij den Weeners. Daarop reist hij door naar Hongarije. Hier speelt hij de Hongaarsche storm* marschen, den wilden Rakoczy*marsch, „waarbij de krijgers ademloos in de zadels hunner schuw geworden hengsten klim* men," en de overheid te Pest huldigt hem als een nationalen held en biedt hem den beroemden en veel bespotten eeresabel aan. Maar Liszt, de Hongaar, kent zijn eigen taal niet én als hij moet

bedanken doet hij het in het Fransch „ en dat ons bloed tot

den laatsten droppel worde vergoten voor ons recht, den koning en het vaderlandr Het gebrul „Liszt Ferencz eljen!" wil niet eindigen. Maar de stichter van de „Revue des Deux Mondes", Buloz, plaatst een nijdig woordje over Liszt's sabel: „Moesten Beethoven en Weber daarom van honger sterven om aan den heer Liszt een eeresabel te bezorgen?" Liszt zendt, woedend, een verklarenden brief terug: „In Hongarije, het land van ridderlijke gebruiken, heeft de sabel een patriotische beteekenis. Hij is het teeken der manhaftigheid „par excellence", hij is het

80

Sluiten