Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII.

De paladijn der Muzen.

Liszt's glanstijd te Weimar, die nu gaat aanvangen, lijkt de consequente afstraling van zijn trotsch geluk, in glorieuse gemeenzaamheid met een hoogstaande vrouw te kunnen leven. Het schijnt alsof Liszt's toewijding en kracht voor de kunst zich verdubbelen, alsof zijne reeds aangeboren onzelfzuchtig» heid zich niet genoeg kan beijveren anderen steun te geven, en met daad en woord de jonge kunstenaars in opkomst te helpen. Hij staat als dirigent, die over een orkest beschikt, die onvoor* waardelijk steun uit den kring dér regeerders van het land ont* vangt, wien men de reorganisatie der Weimarsche Hofopera in handen geeft, met alle middelen beschikbaar voor zijn pioniers» taak. Door Liszt wordt Weimar sinds de groote dagen van Goethe en Schiller opnieuw een Muzenhof, een centrum van Europeesch kunstleven, dat de aandacht van de geheele be? schaafde wereld tot zich trekt. Liszt troont er opnieuw als een Goethe, maar als een romantische Goethe, zonder diens Apol* linische cultuur. Liszt krijgt het groote slot Altenburg als woning ter beschikking, een vrij gelegen gebouw, dicht bij Weimar aan den Ilm, waar eerst eenige vertrekken voor vorstin Wittgen* stein waren gereed gemaakt. Om de opspraak te weren, woont Liszt voorloopig nog in het hotel „Zum Erbprinzen". Later, als de scheidingsuitspraak van vorstin Wittgenstein nog maar een kwestie van dagén schijnt, trekt Liszt bij haar in, en neemt nie* mand meer aanstoot aan het samenzijn van twee groote geesten, die men algemeen heeft leeren achten en bewonderen. Liszt's werkzaamheid geeft zijn woning het aanzien van een paleis, een gansche „hofhouding" omringt hem, bestuur/door de zorgzame Carolyne Wittgenstein. Op de soirée's op den Altenburg ver* schijnen zelfs de Groot*Hertogelijke familie en het Hof. Het ge* heele uitgebreide gebouw wordt in gebruik genomen. Er worden

91

Sluiten