Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertrekken ingericht voor Liszt's muziekbibliotheek, voor zijn muzieksalon, kabinetten voor kunstverzamelingen, woon* en werkkamers. In de muziekzaal worden Liszt's reuzen*vleugel, door Alexandre in Parijs speciaal voor hem vervaardigd: een vereeniging van piano en orgel en het eenige instrument in zijn soort gebleven, opgesteld, Mozart's spinet, Beethoven's Broadwood*vleugeL diens laatste instrument, en een Erard* vleugel. In de andere vertrekken staan Liszt's bustes, o. a. van Bartolini, en hangen zijn beeltenissen in verf en door de teeken* stift vervaardigd.

Op Liszt's Altenburg, de Wartburg der muziek, groepeeren zich rondom hem zijn eerste jongeren en leerlingen: Hans von Bülow, die hem later, na het conflict met Wagner, zal verlaten voor Brahms, de jonge Karl Tausig, van een zwak, maar vurig karakter, die Liszt's partituur van de Faust*symphonie verkoopt, maar als zij in een muziekwinkel teruggevonden wordt, verklaart Liszt grootmoedig, dat zij „verloren" was; Karl Klindworth, de „cantor" Gottschalg, Peter Cornelius en Richard Pohl. Door de zalen gaan de gasten af en aan, niet alleen musici zooals Berlioz, Wagner, Saint Saëns, Borodine, Carl Reinecke, Brahms, Pauline Viardot, ook schilders als Delacroix, von Kaulbach, Adolph Menzel, schrijvers als Hebbel, Paul Heyse, Hildebrandt, Hoff* mann von Fallersleben, geleerden en wijsgeeren zooals Alexan* der von Humboldt, Jakob Moleschott.

Er heerscht een gastvrijheid en een statie, die uit de middelen van Liszt en de vorstin nauwelijks kunnen bestreden worden. Het is een waarlijk vorstelijk leven dat hier geleefd wordt, en Liszt troont te midden er van met de trotsche en ridderlijke aan* schijn van een paladijn der Muzen, volgens von Kaulbach's schilderij weerbaar en fier gehuld in een mantel rond schouders en lendenen, in een of ander donker orde*costuum en witte handschoenen met kappen aan.

Liszt wijdt zich geheel aan zijn taak: de kunst te dienen: „Als heerschend kunstenaar ben ik uitgetogen, als dienaar der kunst keer ik terug."

Liszt ontwikkelt te Weimar een enorme werkzaamheid als di* rigent, als componist, als paedagoog, als schrijver over muziek, als propagandist, als animeerder niet alleen van alle muzikale stroomingen, moderne zoowel als klassieke (de Bach*Gesefl* schaft!), maar van alle ideëele plannen, zooals de Goethe*stich* ting, de Herder*feestelijkheden en het plan voor Wagner's Nibelungen*Theater te Weimar, dat door intrigues niet door* ging en waaruit later Bayreuth is gegroeid. Wij kunnen ons nauwelijks een voorstelling maken van den omvang van deze werkzaamheid, waarbij nog een uitgebreide briefwisseling de

92

Sluiten