Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijft een brief terug in geheel anderen toon en Liszt is dadelijk weer verzoend. Maar Wagner is bedroefd: Jtiij verstaat m(jn humor niet, zooals de anderen" Maar de anderen verstaan Wagner's humor ook niet. Gottschalg beschrijft een samen» komst Op den Altenburg in 1861 tijdens het muziekfeest van de opgerichte „Allgemeine Deutsche Musikverein". Wagner heeft de repetitie der muziekstukken, die uitgevoerd worden, gehoord. Aan het diner zegt hij tot Draeseke, van wien een feestmarsch en een „Germania" op het programma stonden: „Uw marsch is inderdaad het sein 'm te smeren, en in uw Germania hebt u voortreffelijk de uit de voegen hangende toestand van Duitsch* land geschilderd." Ook tegen Tausig en Von Bülow zei hij der* gelijke aardigheden. Het gevolg was, dat de een na den ander opstond en zich in de aangrenzende muziekzaal terugtrok. Wagner kampeerde ten slotte alleen in de eetzaal, in nerveuse haast sigaretten rollend. Liszt, die op het oogenbuk niet aan* wezig was, komt binnen en zegt: „Hoor eens, Richard, als je zoo doorgaat, zitten wij binnen geen tijd samen alleen op den Alten* burg, en je moet je excuses maken." Op een wenk van Liszt komen de anderen binnen en Wagner verontschuldigt zich over zijn houding met een beroep op zijn moeilijke omstandigheden.

Toen Wagner nog te Parijs was, en moeizaam aan den kost kwam, met het schrijven van Donizetti*arrangementen voor Schlesinger, had hij met diens introductie Liszt opge* zocht, in het hotel, waar deze woonde tijdens de concerten, die hij in 1840 te Parijs gaf. Liszt ontving Wagner in zijn salon samen met anderen, richtte tot hem beleefde, maar diploma» tische woorden en liet hem door zijn secretaris Belloni een vrij* biljet voor zijn concerten zenden. Wagner was ontgoocheld; hij beschouwde zich als „hoogmoedig afgewezen". Maar wat had hij zich voorgesteld? Liszt wachtte zoo de bezoeken af van duizend jonge mannen, wier naam hij op dat moment voor het eerst hoorde. Bovendien, Liszt sprak slecht Duitsch en Wagner slecht Fransch. Liszt's brieven aan Wagner zijn nog tot 1852 geheel of gedeeltelijk in het Fransch geschreven. Wagner zond een kritiek over Liszt's concerten aan het Dresdener Avondblad, en, ver* bitterd door den rijkdom, die de pianist Liszt kon verzamelen met zijn spel, gezien naast Wagner's eigen armoede, noemde bij hem in zijn boosheid „een bankier". In Berlijn vond in 1843 opnieuw een ontmoeting tusschen Liszt en Wagner plaats, toen Wagner, die inmiddels kapelmeester te Dresden was geworden, er verblijf hield voor onderhandelingen over de opvoering van zijn „Rienzi". In 1844 hoorde Liszt op zijn doorreis te Dresden Wagner's „Rienzi" en toen Wagner en Liszt elkaar in Maart 1848 weder ontmoetten, kon Liszt Van Wagner zeggen, „dat hem

101

Sluiten